Home

Bezoekadres:
Boisotkade 2A, 2311 PZ Leiden
Postadres:
Postbus 16113, 2301 GC Leiden
Telefoon: 071-516 5355
Fax: 071-516 4950
E-Mail: info@leidenarchief.nl

Home arrow Zoeken arrow Blader door Blaeu
De historie van de Leidse Atlas van Blaeu

Zeker nadat de stad Leiden in 1645 het recht kreeg om een van de Bewindhebbers in de kamer Amsterdam van de VOC te leveren, was het belangrijk dat op het Stadhuis voldoende kaartmateriaal aanwezig was om in geval van twijfel waar een plaats in een van de handelsgebieden lag, dat na te kunnen slaan. Omdat Leiden ook direct of indirect betrokken of vertegenwoordigd was in de Admiraliteit van Amsterdam, de Westindische Compagnie, de Levantse handel (op het oostelijk bekken van de Middellandse zee), de Staten-Generaal, de Staten van Holland en allerlei gewestelijke instellingen, was enige naslagmogelijkheid zeker niet overbodig. Wanneer in de Vroedschap gediscussieerd moest worden of de Republiek of enig orgaan daarvan actie moest ondernemen waar ook ter wereld, konden de veertig leden ervan desnoods met kaarten en atlassen geholpen worden een idee te krijgen waar het om ging. Soms is de actualiteit als het ware uit de aankopen van kaartmateriaal af te lezen. Zo kocht de eerste klerk ter secretarie in 1660 een kaart van Denemarken. Wanneer je bedenkt dat de Republiek toen actief betrokken was bij de al enkele jaren woedende oorlog tussen Denemarken en Zweden over onder meer de van levensbelang voor Holland zijnde Sont en admiraals als Witte de With en Michiel de Ruyter er grote zeeslagen leverden, wordt dat ineens heel logisch. Al vanaf het verschijnen van de eerste belangrijke zeekaarten, zoals de Spieghel der Zeevaerdt van Lucas Jansz. Waghenaer in 1585, kocht het stadsbestuur met enige regelmaat nieuwe cartografische producten. Omdat het centrum van de productie daarvan ontegenzeggelijk in Amsterdam was, waren het meestal de vertegenwoordigers bij de Admiraliteit en sedert de benoeming van de eerste Bewindhebber in 1649 deze persoon die dit soort kaartmateriaal bestelde of kocht.

Vrijwel meteen na het verschijnen van het door Willem en Jo(h)an Blaeu gedrukte Toonneel des Aerdrijcx moet de bestelling geplaatst zijn, wellicht niet door de zittende Bewindhebber Jan Simonsz. van Leeuwen (actief 1654-1660) maar door degene die hem in 1660 zou opvolgen, Hendrick van Willigen. Dit was een zeer fraaie, maar ook zeer dure uitgave in zes banden en dus zal er wel even in klein comité over gedelibereerd zijn, al zijn daar geen schriftelijke sporen van gevonden. Deel 1 verscheen in 1657 (en een tweede druk in 1658?), de delen 2 en 3 in 1658, deel 4 in 1648 (dat wil zeggen dat toen de kaarten grotendeels(?) gemaakt zijn), deel 5 in 1654 en deel 6 in 1655. Om zo’n prachtuitgave compleet te krijgen, moet uiteraard gewacht worden tot alle kaarten verkrijgbaar zijn, hetgeen dus pas in 1658 het geval was.

Op 26 april 1659 is het eerste spoor te vinden: een brief, opgesteld door stadssecretaris Gerrit van Hoogeveen. Deze luidt: Erntfeste, wijse, voorsienige, seer discrete heere, den heere N. Blaeu, Schepen der Stadt Amstelredam. Erentfeste etc. Onsen medebroeder Van Willigen heeft ons gerefereert dat sijn Edele van U Edele voor reeckeninge deser Stede heeft gecoft eenige chaertboucken, dewelcke alsoo wij gaerne soude hebben verciert met het wapen deser stede, soo seynden wij U Edele de plaet daervan hiernevens, met versouck dat U Edele, deselve hebbende gebruyckt, deselve aen ons gelieft terugge te seynde. Hiermede zijt, Erentfeste etc., de bescherminge Godes bevolen. Geschreven in Leyden den 26 April 1659. Ter ordonnantie van de Burgemeesters en Regierders der Stadt Leyden (en dan volgde in de verzonden brief de ondertekening door Van Hoogeveen). Opmerkelijk is dat men in Leiden de voornaam van Blaeu niet kende, zodat men noodgedwongen maar de letter N invulde.

Het Leidse wapen op de omslagHet was de gewoonte dat een opdrachtgever/koper zelf kon bepalen of en zo ja, hoe de kaarten ingebonden zouden worden. Wilde men een speciaal (eigendoms)kenmerk of titel op de rug of het plat, dan kon men de drukplaat aan Blaeu leveren, die die dan bij het binden liet gebruiken. Op deze wijze is dan ook het voor Leiden bestemde exemplaar van de zes delen ‘gestempeld’ met het wapen met de gekruiste sleutels.

Blijkbaar schoot het bij Blaeu niet erg op, want in een ongedateerde brief van 3 september 1659 of kort daarna schrijft Van Hoogeveen (na dezelfde adressering en aanhef als in de vorige brief): Op den 26 April laestleden hebben wij U Edele toegesonden een plaeth om daermede te vercieren eenige chaertboucken bij den Burgemeester Van Willigen van U Edele voor reeckeninge van dese stadt gekoft, ende tot noch toe de voornoemde chaertenboucken niet hebbende vernomen ende de plaet moetende van dese weecke werden gebruyckt tot vercieringe van eenige boucken die van stadtswegen moeten werden gebonden en uytgedeylt, soo sal U Edele gelieven ons deselve plaet ten eersten terugge te seynden en soo wanneer de chaertboucken gereet sullen sijn, sullen wij U Edele deselve weder te laeten toekomen. Ende deselve tegemoet siende, bevelen U Edele de bescherminge Godes. Maar in december 1659 was het dan eindelijk zover. De kwitantie met de handtekening van Joan BlaeuIn het Ordonnantieboek (V fol. 198v., SA II inv.nr. 1429) werd een bevelschrift van betaling op 8 december 1659 genoteerd: Den 8 dito ordonnantie verleent op den Edele Mr. Wilhem Paets, thesaurier-ordinaris deser stede, te betalen aen den Heer Johan Blaeu, Schepen tot Amsterdam, een somme van driehondert guldens te 40 grooten ’t stuck, in voldoeninge van eene nieu gebonden Atlas in ses stucken met afgesette caerte, bij hem ten behouve deser stede gelevert…f 300. De originele ordonnantie is bewaard gebleven doordat die ook als kwitantie gebruikt werd en dus geborgen werd tussen de bijlagen bij de rekening (SA II inv.nr. 8087 doos 1 sub fol. 142, onderin het pak). De tekst wijkt slechts op ondergeschikte punten af en is ondertekend door drie van de vier burgemeesters. Daaronder is geschreven: De bovenstaende somme bekenne ick ondergeschreven ontfangen te hebben ende daervan voldaen te wesen, waaronder de handtekening van J. Blaeu prijkt. Helaas vermeldde deze niet wanneer hij zijn handtekening zette en dus zijn 300 guldens ontving, zodat ook niet daaruit afgeleid kan worden of hij met de boeken onder de arm het geld in Leiden kwam halen danwel dat b.v. de Bewindhebber of een bode de atlas in Amsterdam is gaan halen en toen het geld en de ordonnantie/kwitantie meebracht. Uiteindelijk kreeg de zaak zijn beslag door boeking in de rekening van Paets over 1659/60 (SA II inv.nr. 7592 fol. 202v.). Het inbinden heeft dus plaatsgevonden in Amsterdam, en ook het inkleuren (affsetten). Blaeu had als een haast vaste affsetter Dirck Jansz. van Santen, de absoluut beste vakman van zijn tijd, die voor tal van bekende bezitters van atlassen werkte. Bekend is zijn werk voor de verzamelaar Laurens van der Hem, thans bewaard wordend in Wenen (zie: Een wereldreiziger op papier. De atlas van Laurens van der Hem (1621-1678), tentoonstelling in het Koninklijk Paleis te Amsterdam 18 juni-6 september 1992). Of deze werkelijk de Leidse atlas afgezet heeft, zal wellicht slechts een zeer lastig te verrichten onderzoek aan het licht kunnen brengen. Van Santen had overigens Leidse wortels.

Mogelijk is de aanwinst van de atlas-Blaeu een inspiratie geweest om nog eens naar de op het Stadhuis al aanwezige kaartboeken e.d. te kijken. Merkwaardig is namelijk een post op de grote rekening over 1660 van de vaste Leidse boekbinder en leverancier van papier en boeken Jacobus Burghoorn: een Atlas in 2 stucken alle de kaerten verplackt en wederom opnieus verbonden in hoorn met zij lindt daeraen gedaen, f 15-0-0. Dit zal wel niet een van de zes delen van de pasverworven atlas van Blaeu geweest zijn, maar welke atlas dan wel, valt thans wel niet meer na te sporen.


 
Pictura-DP © 2005 Regionaal Archief Leiden